Oli komt uit een familie waarin sport altijd centraal stond: zijn vader, oom en opa liepen en fietsten allemaal. Zelf begon hij dan ook al vroeg en combineerde hij wegwielrennen met veldrijden, al stopte hij met dat laatste aan het begin van het seizoen 2023. Met een knipoog zegt hij dat hij helaas niet de skills van Van der Poel heeft meegenomen uit zijn ‘crossperiode: “Ik kan geen balken springen” en “ik ben niet de beste bike handler.”
Naast het fietsen deed Oli op jonge leeftijd veel aan schoolsporten. Vooral hardlopen, waar hij mee stopte toen hij rond zijn twaalfde volledig voor het wielrennen koos. Maar hij deed ook aan voetbal, cricket en rugby. Over die laatste sport lacht hij: hij begon als center bij de backs, maar schoof al snel door naar de vleugel omdat hij wat ieler was en “bang voor de grote jongens”. Toch kwam alles steeds weer terug bij de fiets, de sport waar zijn hart echt ligt.
Voor Oli voelt de weg van trainingsrondjes in Yorkshire naar het tekenen van zijn eerste WorldTour-contract nog steeds onwerkelijk. “Dat is waar je van droomt als je begint,” zegt hij. “Bjorn en ik reden vroeger rond en fantaseerden over deze koers of die koers… en ineens zitten we samen in een WorldTour-team. Het is vreemd, maar ook heel gaaf.”
Na twee seizoenen in het Developmentprogramma kijkt Oli met veel warmte terug op zijn tijd in Sittard. “Het leven in het Keep Challenging Center was echt leuk,” vertelt hij. “Zeker in het eerste jaar was er altijd wel iemand om mee te trainen, altijd leven om je heen. Dit jaar werd ik wat serieuzer, wat meer gefocust op de training, maar ik heb er nog steeds enorm van genoten.”
Koersen met het Mannenprogramma gaf hem alvast een waardevol inkijkje in het volgende niveau. “Het zit ’m in de kleine dingen,” legt hij uit. “Positionering, hoe de finishers zich gedragen, hoe ze de ploeg leiden. Je leert enorm veel door gewoon te kijken naar bijvoorbeeld Oscar en Romain, hoe zij dingen aanpakken. Dat kun je dan weer meenemen naar de Devo-koersen, en dat maakt echt verschil.”
In zijn twee U23-seizoenen kende Oli al meerdere mooie momenten. “Rwanda en Bretagne waren waarschijnlijk de beste weken,” zegt hij, al schiet hij ook in de lach bij de herinnering aan een zware dag in Alpes Isère, waar hij knap naar de kopgroep sprong maar de inspanning later moest bekopen. “Misschien iets te enthousiast,” geeft hij toe. “En de dag erna ging ik ook nog onderuit. Niet ideaal. Maar dat is koers.”
Ook zijn hoogtestage met het Mannenprogramma springt eruit en liet zien in wat voor omgeving hij floreert. “Dat was echt top,” grijnst hij. “Bjorn, Max en ik konden het supergoed vinden samen. We eindigden elke avond met z’n allen in Max’ kamer om Love Island te kijken.”
Nu hij de stap maakt naar de WorldTour zijn zijn ambities nuchter en realistisch. “Eerst wil ik gewoon mijn plek vinden,” zegt hij. “Wennen aan het niveau, koersen uitrijden, van waarde zijn voor de ploeg. Daarna ga ik pas echt specifieke doelen stellen.”
Op de langere termijn houdt hij zijn droom bewust simpel: “Gewoon prof blijven. Alles daarbovenop is bonus.” Het idee dat wielrennen ooit als werk zou voelen, laat hem lachen. “Ik sta niet op met de gedachte: ‘Oh nee, vijf uur trainen.’ Nou ja… misschien afhankelijk van het weer. Maar ik geniet ervan.”
Als hij zichzelf in drie woorden moet omschrijven, kiest hij voor: relaxed, hardwerkend en gemotiveerd, een combinatie die hem van juniorensprints bij dorpsborden naar de start van zijn WorldTour-carrière heeft gebracht.
